Een beetje beweging in Chiang Rai

Ik wist niet helemaal wat ik nou moest met mijn volle dag in Chiang Rai. Moest ik een georganiseerde dagtrip doen? Of toch gewoon zelf op pad? In een dagtrip zie je natuurlijk veel meer, maar een aantal stops wilde ik helemaal niet en dus besloot ik een fiets te huren en eens flink te gaan fietsen. Ik was naar Chiang Rai gekomen om de witte tempel te zien, dus dat moest dan ook mijn eerste bestemming worden. Na 15km fietsen over drukke en minder drukke wegen, was er ineens een omleiding. Ze hadden daarbij totaal niet aan fietsers gedacht, want ik kwam uit bij de drukke doorgaande weg die van en naar Chiang Rai leidt, waar auto’s veel te hard rijden, de rijrichtingen gescheiden zijn als een snelweg en waar ik absoluut niet wilde fietsen. Gelukkig hoefde ik er maar een klein stukje over, maar ik moest wel twee keer de weg oversteken om bij de tempel te komen.

 

img_7792

En daar is ze, de witte tempel, en busladingen toeristen

En daar stond hij dan, de witte tempel. De tempel is nogal onorthodox. Hij is gecreëerd, of wordt gecreëerd want hij is nog steeds niet af, door een Thaise kunstenaar. Deze laat zijn eigen visie op het Boeddhisme zien. Dit betekent niet dat het geen tempel is. Je moet nog steeds je schoenen uit doen als je naar binnen gaat en je dient je respectvol te kleden. De tempel is wel meer toeristenattractie dan heiligdom. Met busladingen worden mensen afgezet om een kijkje te nemen.

 

Hoewel in de brochure nog staat dat de artiest absoluut geen geld wil vragen en de tempel voor iedereen toegankelijk moet zijn, moet ik toch 50 baht neerleggen om binnen te kunnen. Ik denk dat zelfs een Boeddhist van het pad om al het aardse los te laten af kan wijken als er maar genoeg mensen 50 baht willen betalen. Wellicht wordt al het geld gebruikt om het personeel te betalen. Net als in het Vaticaan, wordt ook hier geroepen “doorlopen, doorlopen”. De tempel is omringd met water vol vissen. Voordat je de tempel binnen komt, moet je eerst over een brug waaronder allemaal handen omhoog grijpen. Ook zie je allerlei rare schedels en hoofden in de decoratie. Hier en daar zijn wat muntjes in het kunstwerk gegooid.

img_7805

Net als in een traditionele tempel zijn er draken langs het pad naar de ingang. Maar deze zijn kleurloos. De hele tempel is wit van buiten en versierd met spiegeltjes waardoor het ook wel een sprookjeskasteel lijkt. Ik ben er alleen nog niet uit of het het huis van de boze heks uit Hans en Grietje, of toch Assepoesters droompaleis is. De bedoeling van de kunstenaar is mensen te laten voelen wat Boeddhisme is. Je begint dus met dit onaangename gedeelte en terwijl je door de tempel loopt kom je langzaam tot rust en ervaar je een soort van Nirvana. Binnenin is het dan ook een stuk rustiger, hoewel op het eerste gezicht ook minder interessant. Dan zie ik ineens batman, Neo van de Matrix, Kungfu Panda en Sailormoon tussen de Boeddhistische tekeningen. Zo blijft het bizar. Ik loop een beetje verward de tempel uit en kijk nog even rond in de rest van het complex. Er hangen allemaal hartjes die door mensen gekocht zijn. Ik denk dat ze geluk moeten brengen.

Het is nu nog eens 6,5km fietsen om tot aan Singha park te komen. Dit park is ontworpen als recreatieplaats door het Singha biermerk. Het is een aparte plek, maar ze hebben een mooi fietspad aangelegd, waar je op helemaal niemand anders hoeft te letten. Het fietst dus heerlijk, hoewel het af en toe goed omhoog gaat. Ik denk dat ik nog eens 4 á 5km gemaakt heb in het park. Ik reed tussen thee- en bloemenvelden. Verder zou je nog naar een kinderboerderij kunnen en is er een miniboerderij. Daar heb ik verder geen aandacht aan besteed, maar ik stopte wel voor een veel te dure lunch. Via een shopping mall fietste ik weer terug en maakte zo nog eens 15km. Ik vind het heerlijk om te fietsen, maar de Thaise fiets is gewoon niet gemaakt voor Westerlingen. Een veel te klein frame en laag en vooral oncomfortabel zadel zorgen ervoor dat ik regelmatig even vloek. Ik ben wel blij dat ik gegaan ben, want het was een heerlijk actief dagje.

Advertenties

Paradijs op aarde

Het was bewolkt. Het was koud! Echt koud! Ik had zowaar mijn jas aan getrokken en was nog steeds koud. De perfecte dag voor een bezoekje aan de watervallen toch? Ik wilde ze toch graag zien en, na een ontbijtje van noodle soep, liep ik naar het centrum van Luang Prabang om een gedeelde taxi te vinden. Het leek nog niet mee te vallen. Ik sprak een aantal mensen en uiteindelijk vond ik een man die al wat andere mensen geronseld had. Het was een half uurtje rijden door het platteland. De watervallen waren vlakbij een heel klein dorpje en de parkeerplaats stond al vol minibusjes en pick-up trucks, zoiets waar ik in zat. De parkeerplaats was omringd door souvenirstalletjes en restaurantjes. Voor 20.000KIP, een schijntje als je per miljoen pint, mocht je de watervallen bezichtigen.

img_7949

Eerst liep ik door een opvangplaats voor beren. Er schijnt een enorm probleem te zijn met het stropen van beren. Ze worden verkocht aan bedrijven die het gal van de beren afnemen. Dat wordt dan gebruikt in Chinese medicijnen. De beren die hier zitten zijn gered van de stropers, maar kunnen helaas niet meer het wild in. Er zijn een aantal gebieden afgezet waar ze kunnen spelen, eten en luieren. Er zitten best veel zon- en maan-beren. Sommige liggen op een klimtoestel of in een hangmat. De jongeren zijn wat met elkaar aan het stoeien en een oude beer is met een knalrode bal in de weer. Hij gaat op zijn rug liggen en houdt de bal in zijn poten. Dan probeert hij die op zijn neus te leggen. Af en toe schiet de bal weg. Het is hilarisch om te zien.

Een stuk verderop wordt uitgelegd wat het probleem is met de beren en dat deze organisatie het stropen probeert tegen te gaan. Je kunt zelfs in een kleine kooi kruipen om te ervaren wat zo’n beer ervaart. Het is heel leuk en speels opgezet zodat ook kinderen wat kunnen leren. Daarna kom ik bij de watervallen. Wat een pracht en praal! De kleur van het water is zo lichtblauw dat het nep lijkt. Het is nog steeds bewolkt, maar dat doet hier niets af aan de watervallen. Officieel zal het wel allemaal tot één waterval behoren, maar er zijn zoveel lagen dat het meer een subtropisch zwemparadijs is.

Het is stervensdruk, maar aangezien het gebied zo groot is heb ik er niet echt last van. Voordat ik het water in duik ga ik helemaal omhoog naar het topje van de waterval. Het laatste stuk is super steil en ontzettend glad. Omhoog gaat nog wel, maar als ik naar beneden ga gebruik ik vaak mijn handen. Bovenop zijn wat bruggetjes over het water gebouwd en kijk je uit over de bosrijke bergen. Ik heb er honger van gekregen en geniet van het broodje ei dat ik heb meegebracht vanuit Luang Prabang.

Als ik weer beneden ben zoek ik een leuk plekje uit om te zwemmen. Er zijn (vieze) toiletten en kleedhokjes en overal staan bankjes en picknicktafels. Ik vind een plekje voor mijn tas en ga voorzichtig naar het water. Het is koud, maar het valt mee ten opzichte van andere plekken. Echt lang hou ik het toch niet uit. Als ik uit het water kom, droog ik me snel af en doe mijn droge kleren aan. Het is vandaag helemaal niet opgewarmd en ik trek gauw mijn jas weer aan. Wat een onbeschrijfelijk mooie plek is dit!

 

Terugblik op Sukhothai

Sukhothai is één van de plaatsen in Thailand waar je nog naar de oude tempels kan. Normaal moet je er entree voor betalen, maar om de overleden koning te eren is het hier gratis. Er ligt een ruïne aan de hoofdstraat. Wat Tha Phang Thong ligt op een eilandje, waar een gammele, houten brug naartoe loopt. In de tempel ligt een oude voetafdruk van Boeddha onder een glasplaat. Voordat ik verder ga, ga ik maar eens het museum in, om een idee te krijgen van wat ik ga zien. Veel van de beelden en schatten zijn ook hier in het museum geplaatst en het is leuk om een indruk te krijgen van de rijkdom van het vroegere Sukhothai. De tempels zelf zijn omringd door een muur en er zijn maar een paar ingangen. Dan kom je in een groot park waar allerlei oude ruïnes uit de 13e en 14e eeuw te vinden zijn. Er is niet tussen gebouwd, maar in plaats daarvan is er veel gras en staan er een aantal bomen waar je heerlijk in de schaduw kunt rusten. Veel van de ruïnes zijn omringd door een gracht waar nog steeds water in staat.

img_7338

Ik loop langs een klein monument, Lak Muang, dat wellicht een stadsaltaar geweest is. Er is niet veel van over, maar er staan nog felgele bloemen als offers op de bakstenen. Aan de andere kant van het pad staat Wat Chana Songkhram, een tempel zoals velen die niet heel veel indruk op me maakt. Voorbij de tempel staat een monument dat er veel moderner uitziet. Het is een eerbetoon aan koning Ram Khamhaeng, Sukhothai’s belangrijkste koning. Hij staat op een verhoogd platform met perfect gesnoeide boompjes ter versiering. Vanaf die kant heb ik ook een schitterend uitzicht op Wat Sa Si, dat omringd wordt door veel water met waterlelies erin. Via een brug aan de andere kant kan ik de tempel ook van dichterbij bekijken. Er staat een grote Chedi in de vorm van een klok. Daarvoor zit een witte Boeddha tussen een hoop pilaren. Ooit is dit een mooie hal geweest. Ernaast vind ik een heel mooi beeld van een lopende Boeddha, gemaakt in typische Sukhothai stijl. Eigenlijk vind ik dat Boeddha maar vrouwelijke vormen heeft. Ik wil hem ook steeds haar noemen.

Op een mini eilandje ligt een onbelangrijke ruïne vanwaar ik een mooi zicht heb om het grotere Wat Thapangngern en het enorme Wat Mahathat. Bij Wat Si Sawai moet ik weer denken aan de tempel die ik in Lopburi zag. Hij ziet er echt uit alsof hij verplaatst is van Angkor Wat. Er steken drie prangs de lucht in, die rijkelijk versierd zijn. Interessant is dat deze tempel eigenlijk ontworpen is als Hindu tempel. Zo is Vishnu te zien in het beeldhouwwerk. Pas later is het omgetoverd tot Boeddhistische tempel. Het pronkstuk van de centrale zone is Wat Mahathat. Hier staan verreweg de meeste grote Boeddhabeelden. Er loopt een muur en een gracht, met in het midden een vierkant gebouw dat boven alle andere gebouwen uit torent. Aan weerszijden staan grote staande Boeddhabeelden, die waarschijnlijk ooit een dak hadden. Ervoor heeft een grote hal gestaan, waar je nog de pilaren en de Boeddha van kunt zien. Ook staan er verschillende chedis. Het is werkelijk prachtig en hier blijf ik ook nog even zitten in het gras, ontspannend in de schaduw, starend naar de tempel.

img_7412

De volgende dag ging ik nog even terug naar de tempels die ik gezien had omdat ik de dag ervoor heel slecht licht had om foto’s te maken. Daarna kon ik mijn tocht vervolgen naar de wat verder gelegen tempels. Ik reed de oude stad uit door de San Luang gate en kwam bij de kleine Wat Sorasak. Hij viel meteen op omdat hij versierd was met olifanten. Ik vond ook een aantal hele kleine beeldjes van mensen die op een soort troon zaten. Ze stonden op één van de lage muren. Waarom die nou weer hier geplaatst zijn? Na een paar selfies ging ik weer door naar mijn eigenlijke bestemming Wat Phra Phai Luang. Dit complex moet heel wat betekend hebben, want het was enorm en omringd door water. Het terrein was zo groot dat er zelfs een nieuwe versie van de tempel was gebouwd. Het was interessant om oud en nieuw zo naast elkaar te zien. Aan één kant de spierwitte gebouwen met blinkende Boeddha’s en aan de andere kant de rode stenen met witte beelden die vergrijsd zijn. Eén van de prangs was nog goed te zien en je kon zien dat er twee enorme staande Boeddha’s gestaan hebben.

Het verderop gelegen Wat Si Chum zag er ook erg leuk uit. Van een afstandje kon je al een grote Boeddha zien door een spleet in het gebouw. Hij was zo groot, en het gebouw zo strak om hem heen gebouwd, dat je geen goede foto van het hele beeld kon krijgen als je in het gebouw stond. Ook in het gebouw ernaast stond nog een mooi beeld, hoewel het wel een stuk kleiner was. Ik moest een lang stuk fietsen over de grote weg, langs wat huisjes en cafétjes. Toen sloeg ik linksaf richting Wat Saphan Hin, dat weer in een andere zone lag. Wat Saphan Hin ligt op 200 meter hoogte en je hebt best een leuk uitzicht vanaf de top. Behalve het uitzicht staat er ook nog een Boeddha, maar die kun je ook zien zonder alle trappen op te lopen. Omdat het een lange weg was, en de zadelpijn nu wel begon, stopte ik ook bij de minder indrukwekkende ruïnes van Wat Phra Bat Noi, Wat Chedi Ngam en Wat Mangkon. Veel van de tempels hier waren hogerop gebouwd.

img_7499

Ik kwam weer bij het centrale gedeelte uit. Het fietsen was ontzettend mooi. Eerst was het vooral bebost en daarna fietste ik langs velden met rijst en andere gewassen. Toen ik door de Namo gate reed kwam ik in een wijk van oud Sukhothai. Hier lagen nog wel een aantal tempels, maar hoef je normaal gesproken ook geen entree te betalen. Gek, want het was niet minder indrukwekkend. In Wat Chetuphon stonden restanten van een grote Boeddha, die in een mooie hal gestaan moet hebben. Bij Wat Chedi Su Hong waren juist wat kleinere, witte beelden heel bijzonder. Ze waren rondom een pagode gemaakt en werden gerestaureerd. Er stonden olifanten en allerlei figuren. De andere tempels in dit gedeelte waren vooral leuk om te zien van een afstandje, vanaf de fiets.

Lunch at ik bij de Coffee Cup, op de hoofdstraat. Ik nam Sukhothai noodle soup, die net even anders smaakt en erg lekker was. De aardbei-yoghurt shake die ik nog bestelde was een uitstekend toetje. Ik had het warm en was eigenlijk wel weer klaar met alle tempels, maar er was er nog één waar ook olifantenbeelden stonden. Hij lag op maar een paar minuten fietsen naar het Zuiden. Wat Chang Lom was verlaten. Het zag er precies zo uit als Wat Sorasak, alleen dan iets groter en er was nog meer van het oude complex te zien. Toen ik mijn fiets weer inleverde, ging er ook net een songthaew weg. Wat een perfecte timing!

De boemeltrein

In Myanmar neem je de trein niet voor de snelheid. Met sporen die al heel wat mensen gezien hebben en treinen die wel een upgrade gebruiken kunnen, kun je beter de bus nemen. De bus is ook niet snel, maar in ieder geval sneller en comfortabeler. Er is echter één traject waar de reizigers grotendeels bestaan uit toeristen; Mandalay – Hsipaw. Deze reis is zo populair vanwege het Gok Teik viaduct, gebouwd in 1901, met een spectaculair uitzicht. Je moet er wel wat voor over hebben. Het hele traject duurt ongeveer 12 uur.

dscn6400

Het station in Hsipaw

Ik stapte in Hsipaw op de trein. Ik had de hele nacht koorts gehad. Gelukkig voelde ik niet meer zo heet aan, maar ik liep alsnog zwetend naar het station. Kaartjes bestellen gaat niet, dus je gaat op hoop van zege. Om 8.25 uur was ik op het station en er waren al wat andere buitenlanders. Om kwart voor negen begon de kaartverkoop. Voor een kaartje naar Pyin O Lwin, het mooiste gedeelte van de rit, betaalde ik ongeveer 2 euro, en dat in eerste klasse. Rond half 10 kwam de trein aan gereden. Dit zal best ooit een luxe wagen geweest zijn, maar nu was het niet eens vergane glorie te noemen. Het was vies en dat het pijpenstelen regende hielp daarbij niet. De meeste ramen stonden open. Ze hingen vast met een oud mechanisme. Een lakje verf hier en daar zou geen overbodige luxe zijn en er hing een vreemd luchtje. De eerste klas stoelen hadden gelukkig wel kussens. In de tweede klas zit je op een houten bank.

Zodra we vertrokken begon de fransman naast me driftig foto’s te maken. Ik had dus regelmatig een lens voor mijn neus want ik zat bij het raam. De struiken en andere begroeiing stonden vaak wel erg dichtbij het spoor en langzaamaan verzamelde er een hoopje groen om me heen. De trein boemelde, stuiterend en schommelend, door de velden en langs dorpjes. Af en toe stopten we bij een wissel. Er stond dan iemand fysiek de wissel te veranderen. Schokkend reden we weer verder. Op de grotere wegen waren bewaakte overgangen. Er stond dan iemand die de slagboom voor de auto’s dicht deed en dan de groene vlag voor de trein opstak. Het was alsof ik naar het verleden gereisd was, naar het wilde westen. Ook al komt er twee keer per dag een trein over dit spoor, het leek toch bijzonder te zijn. Kinderen hingen uit ramen om naar de trein te staren en vrouwen met baby’s op hun heupen lieten hun baby naar de trein zwaaien. We gingen niet heel snel vooruit, dus regelmatig kreeg ik met iemand oogcontact en kreeg dan een brede glimlach.

Na ruim 3 uur rijden kwamen we bij het beroemde viaduct. Eerst waren er een paar korte tunnels. Daarna reden we door de mist het lange viaduct over. Door de mist hadden we geen super uitzicht, maar ik zag goed hoe hoog we waren. Onder ons was een heel oude spoorlijn die al helemaal in de natuur opging. We gingen echt met een slakkengangetje nu. Mensen hingen uit ramen en deuren om foto’s te maken. Na Gok Teik leek niemand meer geïnteresseerd in de reis. Nu was het gehobbel wel weer genoeg geweest. Maar we waren nog lang niet in Pyin O Lwin, laat staan Mandalay…

 

Mijn aankomst in het mooie Myanmar

Mijn tijd in Myanmar zit er alweer bijna op. Ik vertrek vandaag naar wat waarschijnlijk mijn laatste bestemming wordt voordat ik weer naar Yangon ga om mijn vlucht naar Thailand te halen. Yangon is een ontzettend levendige stad, dus het zou helemaal niet erg zijn om daar nog een dagje te spenderen. Hieronder staan mijn eerste indrukken van de stad, toen ik ongeveer 3 weken geleden in Myanmar aankwam.

img_5358

Ik besloot gewoon eens rond te gaan lopen in downtown Yangon. Eerst liep ik over een weg waar allemaal stalletjes stonden. Ik was op zoek naar een supermarktje, maar kon niet echt iets vinden. Hier stond geen 7-11 (handige Thaise versie van AH to go) op elke hoek. Uiteindelijk vond ik een kleine winkel met water. Daarna een andere winkel met snacks. Er stonden allerlei producten, maar van alles was er maar één of twee. Uiteindelijk kocht ik nog ergens op straat een maiskolf. Ik heb veel gelopen en kwam uit bij een heel mooi park, het Mahabandoola park. Aan één kant van het park zaten allemaal mensen onder de bomen die je toekomst konden voorspellen. Astrologie schijnt hier nogal belangrijk te zijn. Aan een andere zijde van het park was de Sule pagoda. Aan de overkant was een soort markt met eetkraampjes.

Dit is ook het gebied waar nog best veel oude, koloniale gebouwen van de Britten staan. Sommige zagen er goed uit, maar anderen waren nogal vervallen. Er stond sowieso een apart mix van gebouwen. Soms koloniaal, soms klein en niet goed onderhouden en dan ineens een nieuw appartementengebouw. Het was eigenlijk zo gevarieerd als de mensen. Wat een mooie mensen zijn hier! Ik heb zoveel mensen gezien met zoveel karakter in hun gezicht. Het is echt een smeltkroes van culturen. Er zijn moslims, boeddhisten en chinezen. Er zijn mensen in allerlei kleuren. Vrouwen dragen vaak tanaka op hun gezicht. Het beschermt tegen de zon en ze maken allerlei patronen op hun gezicht, armen en benen. Mannen dragen een longyi, een lange rok die omgeslagen wordt. De kledingstijl is hier echt heel anders. Vrouwen dragen ook ontzettend mooie, kleurrijke longyi, met een passend shirt erop. Toch zijn er ook gewoon mensen in korte broek, spijkerbroek en trendy kleren. Alles lijkt te kunnen. Sommige mensen doen me denken aan Pakistanen of Indiase mensen, andere meer aan Marokkanen of Chinezen.

Een lange wandeling nam me naar de Botataung pagode. Omdat hij wat verder weg ligt, is het niet de populairste pagode voor toeristen. Ik moest door een speciale ingang voor toeristen om te betalen. Ook buitenlandse schoenen werden gescheiden van lokale schoenen. Toen liep ik naar de grote gouden stoepa in het midden van het complex. Het verschil met andere pagodes in Yangon is dat je hier ook echt naar binnen kunt. Er loopt een pad als een doolhof door de stoepa. Alle wanden zijn van goud, beschermd door wat glas. Bij een rijkelijk versierd altaar kon je een stukje haar van Boeddha bewonderen.

Helaas moest ik toen ook weer de lange weg terug naar de Sule pagode nemen. De spits was begonnen en dat was bij de pagode goed te merken. De pagode staat precies in het middelpunt waar een paar grote wegen bij elkaar komen. Je kunt via bruggen naar het tempelcomplex. Om het complex heen staan allemaal kleine winkeltjes. Overal hangen stroomkabels. Op straat zit een vrouw met een kooi die tot de nok toe vol zit met kleine vogeltjes.

Binnen is een gouden stoepa waar meer van Boeddha’s haar in ligt, alleen kun je er hier niet naar kijken. Mensen kwamen na hun werk even naar de pagode om te bidden. Het is gebruikelijk om de Boeddha van de dag dat je geboren bent te wassen. Er staan 8 van die Boeddha’s, want voor de woensdag maken ze onderscheid tussen ochtend en avond. Er was ook een soort versierd schip dat via een kabeltje naar een altaar hoog in de tempel voer. Men kon daar een offer in doen en dan bracht het schip het naar boven.

’s Avonds ontmoette ik wat mensen in het hostel en ging samen met iemand naar de markt voor het avondeten. Tussen twee grote wegen zit een avondmarkt verstopt. Hier staan allemaal kraampjes die met superkleine plastic stoeltjes en tafeltjes een soort restaurantjes hebben gemaakt. Ik voelde me hier dus nog meer een reus dan ik normaal al doe. Ik at rijst met een soort curry voor 70 cent. Geen idee wat het precies was, maar het smaakte verdomd goed. Met nog een toetje van suikerriet sap maakte ik een einde aan een mooie dag.   

 

Tropischer kan haast niet

Om 7 uur werd ik opgehaald door de minibus. Die racete met een rotvaart naar de haven. Ik zat op een enorme ferry naar Koh Phi Phi. Meteen werd ik gelabeld met een rode sticker. Sommige mensen gingen nog door naar Koh Lanta of waren op een dagtrip en hadden dus een andere kleur. We stopten nog even in Maya Bay voor wat foto’s vanaf de boot. De hele baai lag al vol met boten. Mijn hostel lag gelukkig niet ver van de pier waar we aankwamen. Het centrum of de village is namelijk echt een doolhof. Er lopen smalle straatjes met aan weerszijden een overvloed van winkeltjes, tour bureaus, barretjes en guest houses. Mijn hostel is niet geweldig. Maar op Phi Phi is alles duur en vallen veel hostels tegen, dus ik doe het er maar mee. Het is eigenlijk meer een ruimte van twee verdiepingen die is vol gezet met bedden. Inchecken moet je in het restaurant ernaast.

Niet verkeerd, long beach

Niet verkeerd, long beach

Even later loop ik naar long beach, dat iets verder op het eiland ligt en te bereiken is via een junglepad. Dat betekent wel dat ik door alle resorts heen moet lopen. Overal staan schattige bungalows met hangmatten. Had ik er maar één. Ondertussen loop ik nog langs een paar idyllische strandjes en dan bereik ik long beach. Het water is veel helderder en minder vervuild dan in de village. Hier zitten de families en romantische stelletjes. Waar ik zit zitten overal proppers en kom je voor de party. De gemixte drankjes worden hier in emmers verkocht. Krijg je er wel meteen twee rietjes bij zodat je kunt delen. Dus ’s avonds sta je in de bar drinkspelletjes te spelen en kun je dansen op het strand. Voor het entertainment staan er wat mannen met brandende poi te zwaaien. Dan kun je je weg naar huis zoeken door het doolhof.

Loving the buckets

Loving the buckets

De volgende dag kun je met je brakke kop de tocht naar het Phi Phi viewpoint maken. Het start met een serie trappen en dan begrijp je meteen waarom men aanraad het voor 10 uur ’s ochtends te doen. Ik kwam bovenaan en het zweet rolde van mijn voorhoofd. Het uitzicht was wel fantastisch en dit was nog maar deel 1. Klom je nog verder dan kreeg je nog beter zicht. Wat niet iedereen door had, was dat je nog verder kon klimmen naar uitzicht 3. Dat pad was dan iets ruiger, maar bovenaan was een houten platform met huisje waar je je in de schaduw over het zicht kon verwonderen.

Het is even klimmen, maar dan heb je ook wat

Het is even klimmen, maar dan heb je ook wat

Heel iets anders om op Koh Phi Phi te doen is een boottochtje naar Maya Bay. Maya Bay is een mooie baai, maar heeft zijn roem toch vooral te danken aan de film ‘The Beach’. Voordat Leonardo di Caprio op dat strand neerplofte was het er waarschijnlijk echt nog een paradijsje. Nu is het vooral een spektakel voor halfnaakte toeristen, die struikelend over de stenen, het water inlopen en poseren. Mijn boot doet naast Maya Bay nog andere plekken aan, en hoewel Maya Bay mooi is, ben ik blij dat ik ook de andere plekken heb mogen zien. Het is namelijk veel minder druk in sommige van de andere baaien waar we even voor anker gaan.

Maya Bay

Maya Bay

Ik heb gekozen voor een kleine longtailboot met een kleine groep. In mijn boot zitten nog zes anderen en in een tweede boot zit een gezin van vier. Onze gids laat ons graag alle mooie uitzichtpunten zien en begint al ver van te voren te roepen dat we onze cameras klaar moeten hebben. Hij maakt zelf ook nog maar wat foto’s, mochten we het moment dan toch gemist hebben. Een ander deel van de tour bestaat uit snorkelen. Inmiddels heb ik al door dat in en uit de boot komen niet echt charmant gedaan kan worden. Ik plons/val het water in. Er zwemmen veel vissen en op de eerste plek zien we zelfs een hele hoop schattige zwartpunthaaibaby’s. Op de tweede plek zie ik een aantal zeepaardjes.

Zeepaardje in het water

Zeepaardje in het water

Als allerlaatste stoppen we nog even op Monkey beach. Deze heet dus zo omdat er apen op het strand lopen. Ook hier zijn er veel meer toeristen dan apen en een aantal van hun vindt het gewoon kunnen om die apen dan ook maar te voeren. Er wordt werkelijk alles gedaan om een selfie te krijgen en de apen zouden de mensen zowaar kunnen vlooien. Ik heb geen zin in hondsdolheid en blijf van een afstandje kijken, misschien nog wel meer naar de mensen dan naar de apen. En dan is het tijd om weer terug te gaan. We racen over het water terwijl er liters water in ons gezicht spatten. De longtailboot is misschien niet heel luxueus, maar het is wel een authentiek vervoersmiddel. “Het kan wel hard als een speedboat”, zegt onze gids, “maar de longtailboot is bedoeld om rustig, relaxt te varen.” Hij maakt de beweging van de golven met zijn hand. Dan is het tijd om afscheid te nemen.

Monkey beach, met de aapjes

Monkey beach, met de aapjes

Voor mij is het ook meteen afscheid van Koh Phi Phi. Ik kan me voorstellen dat je hier een ontzettend leuke vakantie kunt hebben. Je kunt voor een schijntje eten en in een leuke bungalow in je hangmat je boekje lezen. Af en toe pak je dan een veel te duur boottochtje of kun je duiken, snorkelen of kanoën. Als je uit wilt of souvenirtjes zoekt ga je naar de village. Maar om nou in die village te verblijven. Mijn hostel zat niet direct in de feeststraat, maar Koh Phi Phi zal bij mij bijblijven als het eiland waar ik niet heb geslapen, zelfs niet toen ik het wilde.

Ziek in Myanmar, een hele ervaring

Ik heb net een driedaagse trekking door het platteland van Myanmar achter de rug. Op de derde dag van mijn trekking voelde ik me helemaal niet goed. ’s Nachts had ik al het idee dat ik koorts had en ’s ochtends ging het niet echt lekker. Op een paar lepels rijst begon ik toch maar te lopen. We moesten nog zo’n 4,5 uur lopen en ik wou het echt graag afmaken. Uiteindelijk is dat ook gelukt, maar toen ik bij het eindpunt aankwam en in het restaurant voor de lunch zat, ging het helemaal mis. Mijn lichaam wist dat het niet meer door hoefde en gooide er dus alles uit. Reizen is niet alleen maar mooie dingen zien en meemaken. Daar zat ik dan, midden in een restaurant, helemaal onder het dinner van gisterenavond. Gelukkig had ik een fantastische groep en hebben ze me super geholpen om heelhuids aan te komen in Nyaungshwe. We moesten toen namelijk ook nog ruim een uur met de boot om in het dorp te komen. ’s Avonds kon ik nog niet veel eten en hoewel ik lekker geslapen had, ging het vanmorgen toch nog niet zo goed.

Vanmorgen ging ik dus toch maar naar de dokter. Ik voelde me een stuk beter, maar nog niet fit. Wat een drama zeg. De eerste dokter kon ik niet vinden. Na drie keer op en neer lopen, en een aantal keer vragen, zag ik eindelijk het kleine paarse gebouwtje. Het zat helemaal op slot en achter een hekwerk. Dat had ik ook echt niet als dokter herkent. Ik liep weer terug naar het hostel en ze gaven me een ander adres. Weer liep ik dezelfde richting uit, alleen dan iets verder. Het zag er ook hartstikke dicht uit, maar toch liep ik even om het gebouw heen. Er was een deurtje waar een meisje zat. Maar helaas, de dokter kwam pas om vier uur. Ik was het helemaal zat.

Weer stond ik in het hostel. Gelukkig nam een man me wel even mee op de scooter. Hij reed ook weer langs dezelfde dokters en zette me uiteindelijk af bij een klein hokje aan de grote straat. Vanaf de straat zag je wat bankjes voor een gordijntje staan. Ik ging een beetje twijfelend naar binnen en roepte ‘hallo?’. Er zat nog een andere patiënt achter het gordijntje. Even later was ik aan de beurt. Ik mocht gaan zitten op een bed en vertelde wat er aan de hand was. Ik had geen idee of de dokter het verstond, want tot nu toe had hij alleen maar gebaren gemaakt. Uiteindelijk bleek hij best goed Engels te spreken, maar was hij een man van weinig woorden. Hij zat op zijn stoel, keek recht vooruit, en peinsde wat. Hij deed nog even onderzoek en besloot toen dat het buikgriep was. Toen liep hij naar zijn kast. Er zaten geen deuren voor en er lagen honderden doosjes met pillen in. Hij trok er een paar uit en gaf me uiteindelijk wat gele pillen die ik twee keer per dag moet nemen en wat ORS. 3000 kyat, oftewel 2,10 euro. Tja, ik ben naar de dokter geweest… Laten we hopen dat het gewoon weer over gaat.

Het was wel ontzettend mooi op de wandeltocht hoor.