Ongewenst avontuur in Savannakhet

Savannakhet is een slaperige provinciale hoofdstad. Toch behoort het tot één van de drie grootste steden in Laos. Het is bizar, want het lijkt er zo rustig. Met de bus komen we wel langs grote bedrijven, zoals het Nikon hoofdgebouw van Laos. Het ligt ook wel strategisch aan de grens met Thailand en hemelsbreed niet al te ver van Vietnam.

Vroeger zaten hier veel Fransen en een deel van de gebouwen ziet er dan ook koloniaal uit. Sommige zijn opgeknapt, maar de meeste zijn vervallen. Het is een rare mix met de huizen op palen, de modernere gebouwen en de levensstijl hier in Laos. De mensen zitten ogenschijnlijk ongeïnteresseerd voor hun huizen in de late middag. Ze kijken op als ik langs loop en een enkeling lacht of roept Sabai Dee. Grote witte auto’s en gekleurde tuktuks overheersen het straatbeeld. Trottoirs zijn er wel, maar zijn vaak gebroken, vol gegroeid met gras of worden gebruikt als verlenging van een huis of parkeerplaats.

Er lopen tientallen honden en katten rond, vaak zoekend naar restjes eten die de mensen hebben laten liggen. Ik heb al een paar rare situaties gehad met honden en ben dus op m’n hoede. Dan loop ik langs een hond die me licht grommend aankijkt. Er is een familie in de buurt en meestal kunnen die de hond wel onder controle houden. Ik loop snel rond de hond heen naar de volgende straat. Maar dan hoor ik snelle voetstappen achter me en voor ik het weet word ik gebeten in mijn been. Gelukkig blijft het daarbij en gaat de hond weer weg.

In plaats van me te helpen word ik uitgelachen door de familie. Ik ben vooral geschrokken en loop snel door. Ik wil gewoon weg. Ik kom nog twee honden tegen die agressief beginnen te grommen en ik besluit een andere weg te nemen. Als ik op de drukkere, goed verlichte avondmarkt kom, ga ik zitten voor een maaltijd en kijk naar mijn been. Er lijkt niet zoveel aan de hand. Er was geen bloed. Later zit ik in mijn kamer en lees ik de informatie over hondenbeten nog eens door. ‘Ga altijd naar de dokter’. Ik begin te twijfelen. Dan besluit ik toch maar te gaan.

img_1828

Dus nu heb ik een ziekenhuispasje voor Savannakhet. Ze hebben in ieder geval mijn leeftijd goed.

Met de tuktuk rij ik naar het ziekenhuis. Mijn chauffeur blijkt Frans te spreken en dat is heel handig. Bij de spoedafdeling komen drie mensen naar mijn been kijken. Ik leg uit wat er gebeurd is en dat ik niet weet of ik een spuit voor rabies moet hebben. Ik weet echter niet hoeveel ze ervan verstaan. De drie mensen kijken en overleggen, en kijken en overleggen. Dan word ik met wat papieren en een vrouw mee gestuurd. Eerst gaan we naar een hokje waar ik nog meer papieren krijg. Daarna gaan we naar de apotheek, waar de dame aan de balie vraagt of ik Lao spreek. Ik kijk haar verbaasd aan. Uiteindelijk wordt er wat gewezen en ga ik zitten. De vrouw die me had meegenomen laat haar been zien. Ze was een tijdje geleden gebeten door een hond en liep nu met een heel pak medicijnen weg. Ze werkte dus helemaal niet voor het ziekenhuis, maar was ook slechts een patient!

Mijn chauffeur, die al de hele tijd gewacht had, kwam binnen en vroeg aan de balie wat er aan de hand was. Toen legde hij me in het Frans uit dat ik een prik zou krijgen, maar dat ik even moest wachten op de rekening. Uiteindelijk moest ik weer terug naar het eerste gebouw en daar raakte ik aan de praat met wat hele aardige, jonge mensen. Toen kwam er een zuster de wachtruimte in en gaf me, zonder handschoenen, de prik. Gelukkig had ik het doosje gezien, waar duidelijk ‘rabies’ op stond. Anders had ik niet eens geweten wat ze me hadden toegediend. Ik kreeg een kaartje mee waar op stond op welke data ik de volgende twee prikken moest doen. De tuktuk bracht me weer netjes thuis. Wie had kunnen denken dat mijn beetje Frans me uiteindelijk in Laos zou helpen!

Verder was het wel een mooie stad hoor!

Advertenties

Kennismaken met het echte Laos

Om 8 uur stond ik klaar in het hostel voor mijn bus naar Nong Khiaw. Hij zou om 9 uur gaan, zodat ik tussen 12 en 1 aan zou komen en nog een middagje van het dorp kon genieten. Maar dit is Laos en ik zou vandaag leren wat Lao time echt betekent. Om half 9 was er nog geen bus. Ik bleef rustig zitten en de man van het hostel verzekerde me dat er een pickup onderweg was. Om 9 uur was er nog niks. “Rustig maar”, denk ik in mezelf, “Het zal wel goed komen.” Om kwart over negen stopte er een tuktuk en werden een andere jongen en ik opgehaald. Onze tassen werden bovenop de tuktuk gebonden en we reden nog de hele stad door om mensen op te halen. Daarna reden we het minibusstation binnen, waar al aardig wat bagage op de bus gebonden was. Aangezien ik als eerste in de tuktuk zat, kon ik er als laatste uit en stond ik achterin de rij om in te checken. Gelukkig had ik al geboekt. Er was dus geen twijfel in mijn hoofd of ik de bus zou halen. Toen kwamen ik en de andere jongen aan de beurt. “Waar naartoe?” “Nong Khiaw.” “Nong Khiaw? Jullie ook?”, zegt de mevrouw aan de balie. “Het is vol.” En daar zijn we dan mooi klaar mee. Na een adempauze, ik zie haar hersens werken, zegt ze: “Ok. Je kunt met de bus van elf uur mee. We brengen jullie naar een ander busstation.”

Snel ren ik langs wat eettentjes want ik had hier natuurlijk niet op gerekend. Ik zou lunchen in Nong Khiaw. “Fried rice?”, zegt een vrouwtje als ik vraag of ze iets heeft dat ik mee kan nemen. Vooruit dan maar. Ze pakt een groot mes erbij en begint de groenten nog te snijden. Een poosje later loop ik terug met een bak vol dampende rijst. Mijn lotgenoot gaat nog even pinnen, maar vlak daarna komt de tuktuk chauffeur naar me toe: “We zijn klaar om te gaan. Waar is je man?” Ik vertel hem dat mijn man gewoon een jongen is wiens naam ik tot dan toe niet eens weet. In de tuktuk racen we naar het noordelijke busstation. Vanaf hier zijn de bussen 15000 KIP goedkoper en zo’n 10 tot 20 jaar ouder. Onze chauffeur koopt doodleuk twee goedkopere kaartjes en wil weer weg rijden. “En waar is onze bus dan?” Hij wijst naar een minibusje uit de jaren tachtig waar al een man op het dak staat. Onze tassen gaan meteen omhoog. We leggen onze kleine tassen maar op een stoel om een ‘goede plek’ te reserveren. Langzaamaan worden er meer tassen op het dak gestapeld. De wijzers van de klok gaan 11 uur voorbij, dan 12 uur. Tegen half 1 komen er twee mensen met tassen aan. Ze gaan naar Nong Khiaw! Nu zitten we vol en kunnen we gaan. We rijden Luang Prabang uit, langs dorpen de bergen in. De wegen zijn behoorlijk slecht, vol gaten. Af en toe stoppen we om iets af te leveren en midden op de weg stoppen we en loopt iedereen het gras in voor een plas. Na 3 uur rijden we Nong Khiaw binnen. Mijn kont en knieën doen een klein vreugdedansje. Wat een dag!

Maar als je dit dan ziet, dan is alles weer goed!

 

 

Whiskey in the jar site

Ik wist het nog steeds niet zeker. Was het het waard om naar Phonsavanh te gaan? Het is de hoofdstad van de tweede meest gebombardeerde provincie in de wereld. Nog steeds liggen er duizenden bommen, sommige onschadelijk, maar vele ook onontploft. In Laos gaan dagelijks bommen af, waarbij meestal ook slachtoffers vallen. Waarom wil ik hier dan naartoe? Het is ook de locatie van de vlakte der kruiken. Deze mysterieuze kruiken liggen tussen de bomkraters in. er zijn verschillende vlaktes waar de bommen opgeruimd zijn en je dus naar de kruiken kunt gaan kijken.

img_8147

De vlakte der kruiken, in ieder geval een deel ervan.

Helaas ligt Phonsavanh helemaal uit de richting. Vanuit Van Vieng doe ik er ruim 6 uur over om er te komen. Ik word opgepikt door een tuktuk en, na wat andere mensen opgehaald te hebben, rijden we naar het Noord busstation. In plaats van bij een busje, worden we bij een grote familieauto afgezet. De tassen gaan het dak op en wij proppen in de auto. Er zijn drie rijen met drie stoelen en er zitten twee mensen naast de chauffeur. Ik zit op een klapbankje naast de deur op de eerste rij. Mijn eerste gedachte was ‘Wat is dit nou weer?!’, maar het bleek de meest comfortabele rit in Laos tot nu toe. Het landschap waar we doorheen reden was schitterend. We gingen steeds hoger de bergen in. Eerst zagen we nog Karst bergen met scherpe pieken. Later maakte die plaats voor ronde bergen met bossen en hoog gras. Langs de weg waren af en toe wat dorpen. Vaak waren ze uitgestrekt langs de lengte van de weg. Er waren traditionele bamboehuizen en modernere stenen huizen in aanbouw. Achter veel huizen was een steile afgrond. Op straat reden kinderen in schooluniform op hun fietsen. De kleinere kinderen liepen tussen de koeien en kippen voor de huizen. Mensen baadden in de rivier en bij gezamenlijke waterpunten. We reden toeterend door de dorpen, de kinderen en koeien waarschuwend. De koeien trokken zich er weinig van aan en creëerden vaak een slalom voor onze auto. Het was maar goed dat er niet te veel verkeer was. We gingen door haarspeldbochten en konden vaak niet zien of er tegenliggers kwamen. Eén keer kwam een grote bus zo hard de bocht om rijden dat het bijna misging. Onze chauffeur vloekte wat, tenminste dat denk ik, en ging weer door. We kwamen heelhuids aan in Phonsavanh.

Het leek een karakterloos plaatsje. Het is ook pas 35 jaar oud. Gelukkig werden we afgezet in het centrum, bij een grote markt. Er stonden mensen klaar om kamers te laten zien, maar die gingen voor 80.000 KIP, iets te veel voor mij. Eén slimme, excentrieke man had een dorm gebouwd en daar kon ik voor de helft van de prijs terecht. De dorm zelf stelt niet veel voor, maar er zitten veel andere reizigers in het guesthouse en dat maakt het gezelliger. Met de paar uur die ik nog over heb ga ik naar het UXO information center. De organisatie hierachter helpt de slachtoffers van UXO’s, onontplofte bommen, en hun families om weer een leven op te bouwen. Ze hebben een filmpje over de organisatie en er hangen een paar verhalen van mensen die een bom overleefd hebben. Een deel van het project is een cursus voor mensen om souvenirs te maken. Deze worden dan verkocht in het winkeltje, waar ik een sleutelhanger koop. Bij de buren zit het MAG center, de mine advisory group. Deze organisatie ruimt bommen op zodat mensen veiliger het land kunnen gebruiken. Mensen zijn bang om nieuw land te gebruiken en dat houdt de groei van het land tegen. Er is geen veilige nieuwe landbouwgrond of grond voor wegen. Veel boeren stuiten bij het werk op de akkers op UXO. Ook kinderen zijn heel vaak het slachtoffer omdat ze bommen als speelgoed zien. Zo verliezen ze ledematen of worden ze blind. De MAG helpt om deze gebieden die veel gebruikt worden weer veilig te maken.

img_8119

Bommen die gevonden zijn in het landschap rondom Phonsavanh

De volgende dag ga ik met drie mensen van het guesthouse op pad. Kong, de eigenaar van de accommodatie, neemt ons mee naar de plain of jars, of vlakte der kruiken, in zijn busje. Onderweg stoppen we bij een klein informatiecentrum. Heel mysterieus vertelt Kong dat hij binnen niet veel kan zeggen, maar dat we even rond kunnen kijken en dat hij daarna wat meer vertelt. Achter het gebouw is een tuin. Er is een petanguebaan en helemaal achterin staat een hele serie gevarieerde bommen. Kong legt het een en ander uit over de secret war. Gedurende de Vietnam oorlog, negen jaar lang, viel er elke 8 minuten een bom op Laos. De meeste zijn clusterbommen, een bom ontworpen om mensen te doden. In een clusterbom zitten tientallen kleinere bommen, die ze hier bombies noemen. Bij een bepaald aantal omwentelingen ontploffen ze. Rond de 270 miljoen bombies zijn op Laos gegooid, maar zo’n 30% is nooit ontploft. Waarschijnlijk vloog het vliegtuig te laag en is het benodigde aantal omwentelingen niet gehaald. Deze bommen kwamen bijna allemaal van de Amerikanen, hoewel die claimden nooit in Laos te zijn geweest. Kong weet wel beter. Een beetje samenzweerderig vertelt hij over de secret place. Hier was een geheime basis van de Amerikanen. Nu is het afgesloten voor buitenlanders en wordt er niet over gepraat.

Ook jar site 1, waar we eerst naartoe rijden, is getroffen door de bommen. Op deze historische plek, waar ze graag een Unesco plek van willen maken, liggen allemaal reusachtige potten van 2500 jaar oud tussen de bomkraters. Alleen al op deze plek zijn 127 UXO’s opgeruimd om het begaanbaar te maken. Op de wandelpaden is diep gezocht, daarbuiten iets minder diep en dus staat met steentjes aangegeven waar je het beste kunt lopen. Volgens Kong hebben we echter niets te vrezen. Op een heuvel komen we bij de potten. Wat een bizarre plek. De grootste potten zijn groter dan ik en bij de kleinere kun je er van bovenaf inkijken. Ze zien er loeizwaar uit, maar de theorie is dat de steen die gebruikt is, van de berg in de verte komt. Waar ze voor gebruikt werden wordt nog steeds onderzocht. Men denkt dat de doden erin gestopt werden met water en dat later de botten eruit werden gehaald om te begraven. De lokale bevolking vindt het leuker om te zegen dat er whisky in gezeten heeft.

img_8130

We lopen een rondje over de vlakte en komen langs een grot met allemaal torentjes van stenen. In deze grot hebben ook mensen verscholen gezeten. Sommige mensen denken dat er veel geesten zitten en bouwen dus een ministoepa van stenen om de geest een huisje te geven. Via een heuvel met een mooi uitzicht over het droge landschap keren we terug naar de auto. De tweede plek met kruiken ligt op een klein stukje rijden. Eerst eten we wat in een restaurant waar we keuze hebben tussen rijst, noodles of noodle soup. Daarna rijden we het bos in. Plek nummer twee ligt tussen de bomen. Eén van de bomen is gewoon midden door een pot omhoog gegroeid en boom en steen zitten helemaal in elkaar verwikkeld. Kong heeft ons ook iets leuks laten zien en daar gingen we hier ook naar op zoek. In sommige potten zitten hele families spinnen. Als je erin kijkt zie je een zwart bosje zitten dat eruit ziet als een baard. Als je dan met een stokje de groep verstoord, rennen alle spinnen alle kanten op. Als je stopt, gaan ze weer hergroeperen. Tegen de tijd dat we bij jar site 3 aankomen hebben we eigenlijk wel genoeg potten gezien. We genieten vooral van de wandeling door de rijstvelden en daarna van de schaduw and de bries op de heuvel met de potten.

De vlakte der kruiken is een interessante plek. Er heerst hetzelfde soort mysterie als bij Stone henge of de piramides. Ik heb flink wat geld en tijd uitgegeven om hier te komen en uiteindelijk ben ik wel blij dat ik gegaan ben, maar niet alleen vanwege de potten. Het is de combinatie van potten en bommen die deze plek ontzettend interessant maakt. ’s Avonds kijk ik nog naar een film die ‘Bombies’ heet, een documentaire over hoe die bommen Laos nog steeds beïnvloeden, ruim 40 jaar na de oorlog. Ik kan me er nog steeds weinig bij voorstellen, maar heb wel een beter beeld van wat er zich hier allemaal afspeelt.

Een beetje beweging in Chiang Rai

Ik wist niet helemaal wat ik nou moest met mijn volle dag in Chiang Rai. Moest ik een georganiseerde dagtrip doen? Of toch gewoon zelf op pad? In een dagtrip zie je natuurlijk veel meer, maar een aantal stops wilde ik helemaal niet en dus besloot ik een fiets te huren en eens flink te gaan fietsen. Ik was naar Chiang Rai gekomen om de witte tempel te zien, dus dat moest dan ook mijn eerste bestemming worden. Na 15km fietsen over drukke en minder drukke wegen, was er ineens een omleiding. Ze hadden daarbij totaal niet aan fietsers gedacht, want ik kwam uit bij de drukke doorgaande weg die van en naar Chiang Rai leidt, waar auto’s veel te hard rijden, de rijrichtingen gescheiden zijn als een snelweg en waar ik absoluut niet wilde fietsen. Gelukkig hoefde ik er maar een klein stukje over, maar ik moest wel twee keer de weg oversteken om bij de tempel te komen.

 

img_7792

En daar is ze, de witte tempel, en busladingen toeristen

En daar stond hij dan, de witte tempel. De tempel is nogal onorthodox. Hij is gecreëerd, of wordt gecreëerd want hij is nog steeds niet af, door een Thaise kunstenaar. Deze laat zijn eigen visie op het Boeddhisme zien. Dit betekent niet dat het geen tempel is. Je moet nog steeds je schoenen uit doen als je naar binnen gaat en je dient je respectvol te kleden. De tempel is wel meer toeristenattractie dan heiligdom. Met busladingen worden mensen afgezet om een kijkje te nemen.

 

Hoewel in de brochure nog staat dat de artiest absoluut geen geld wil vragen en de tempel voor iedereen toegankelijk moet zijn, moet ik toch 50 baht neerleggen om binnen te kunnen. Ik denk dat zelfs een Boeddhist van het pad om al het aardse los te laten af kan wijken als er maar genoeg mensen 50 baht willen betalen. Wellicht wordt al het geld gebruikt om het personeel te betalen. Net als in het Vaticaan, wordt ook hier geroepen “doorlopen, doorlopen”. De tempel is omringd met water vol vissen. Voordat je de tempel binnen komt, moet je eerst over een brug waaronder allemaal handen omhoog grijpen. Ook zie je allerlei rare schedels en hoofden in de decoratie. Hier en daar zijn wat muntjes in het kunstwerk gegooid.

img_7805

Net als in een traditionele tempel zijn er draken langs het pad naar de ingang. Maar deze zijn kleurloos. De hele tempel is wit van buiten en versierd met spiegeltjes waardoor het ook wel een sprookjeskasteel lijkt. Ik ben er alleen nog niet uit of het het huis van de boze heks uit Hans en Grietje, of toch Assepoesters droompaleis is. De bedoeling van de kunstenaar is mensen te laten voelen wat Boeddhisme is. Je begint dus met dit onaangename gedeelte en terwijl je door de tempel loopt kom je langzaam tot rust en ervaar je een soort van Nirvana. Binnenin is het dan ook een stuk rustiger, hoewel op het eerste gezicht ook minder interessant. Dan zie ik ineens batman, Neo van de Matrix, Kungfu Panda en Sailormoon tussen de Boeddhistische tekeningen. Zo blijft het bizar. Ik loop een beetje verward de tempel uit en kijk nog even rond in de rest van het complex. Er hangen allemaal hartjes die door mensen gekocht zijn. Ik denk dat ze geluk moeten brengen.

Het is nu nog eens 6,5km fietsen om tot aan Singha park te komen. Dit park is ontworpen als recreatieplaats door het Singha biermerk. Het is een aparte plek, maar ze hebben een mooi fietspad aangelegd, waar je op helemaal niemand anders hoeft te letten. Het fietst dus heerlijk, hoewel het af en toe goed omhoog gaat. Ik denk dat ik nog eens 4 á 5km gemaakt heb in het park. Ik reed tussen thee- en bloemenvelden. Verder zou je nog naar een kinderboerderij kunnen en is er een miniboerderij. Daar heb ik verder geen aandacht aan besteed, maar ik stopte wel voor een veel te dure lunch. Via een shopping mall fietste ik weer terug en maakte zo nog eens 15km. Ik vind het heerlijk om te fietsen, maar de Thaise fiets is gewoon niet gemaakt voor Westerlingen. Een veel te klein frame en laag en vooral oncomfortabel zadel zorgen ervoor dat ik regelmatig even vloek. Ik ben wel blij dat ik gegaan ben, want het was een heerlijk actief dagje.

Paradijs op aarde

Het was bewolkt. Het was koud! Echt koud! Ik had zowaar mijn jas aan getrokken en was nog steeds koud. De perfecte dag voor een bezoekje aan de watervallen toch? Ik wilde ze toch graag zien en, na een ontbijtje van noodle soep, liep ik naar het centrum van Luang Prabang om een gedeelde taxi te vinden. Het leek nog niet mee te vallen. Ik sprak een aantal mensen en uiteindelijk vond ik een man die al wat andere mensen geronseld had. Het was een half uurtje rijden door het platteland. De watervallen waren vlakbij een heel klein dorpje en de parkeerplaats stond al vol minibusjes en pick-up trucks, zoiets waar ik in zat. De parkeerplaats was omringd door souvenirstalletjes en restaurantjes. Voor 20.000KIP, een schijntje als je per miljoen pint, mocht je de watervallen bezichtigen.

img_7949

Eerst liep ik door een opvangplaats voor beren. Er schijnt een enorm probleem te zijn met het stropen van beren. Ze worden verkocht aan bedrijven die het gal van de beren afnemen. Dat wordt dan gebruikt in Chinese medicijnen. De beren die hier zitten zijn gered van de stropers, maar kunnen helaas niet meer het wild in. Er zijn een aantal gebieden afgezet waar ze kunnen spelen, eten en luieren. Er zitten best veel zon- en maan-beren. Sommige liggen op een klimtoestel of in een hangmat. De jongeren zijn wat met elkaar aan het stoeien en een oude beer is met een knalrode bal in de weer. Hij gaat op zijn rug liggen en houdt de bal in zijn poten. Dan probeert hij die op zijn neus te leggen. Af en toe schiet de bal weg. Het is hilarisch om te zien.

Een stuk verderop wordt uitgelegd wat het probleem is met de beren en dat deze organisatie het stropen probeert tegen te gaan. Je kunt zelfs in een kleine kooi kruipen om te ervaren wat zo’n beer ervaart. Het is heel leuk en speels opgezet zodat ook kinderen wat kunnen leren. Daarna kom ik bij de watervallen. Wat een pracht en praal! De kleur van het water is zo lichtblauw dat het nep lijkt. Het is nog steeds bewolkt, maar dat doet hier niets af aan de watervallen. Officieel zal het wel allemaal tot één waterval behoren, maar er zijn zoveel lagen dat het meer een subtropisch zwemparadijs is.

Het is stervensdruk, maar aangezien het gebied zo groot is heb ik er niet echt last van. Voordat ik het water in duik ga ik helemaal omhoog naar het topje van de waterval. Het laatste stuk is super steil en ontzettend glad. Omhoog gaat nog wel, maar als ik naar beneden ga gebruik ik vaak mijn handen. Bovenop zijn wat bruggetjes over het water gebouwd en kijk je uit over de bosrijke bergen. Ik heb er honger van gekregen en geniet van het broodje ei dat ik heb meegebracht vanuit Luang Prabang.

Als ik weer beneden ben zoek ik een leuk plekje uit om te zwemmen. Er zijn (vieze) toiletten en kleedhokjes en overal staan bankjes en picknicktafels. Ik vind een plekje voor mijn tas en ga voorzichtig naar het water. Het is koud, maar het valt mee ten opzichte van andere plekken. Echt lang hou ik het toch niet uit. Als ik uit het water kom, droog ik me snel af en doe mijn droge kleren aan. Het is vandaag helemaal niet opgewarmd en ik trek gauw mijn jas weer aan. Wat een onbeschrijfelijk mooie plek is dit!

 

Terugblik op Sukhothai

Sukhothai is één van de plaatsen in Thailand waar je nog naar de oude tempels kan. Normaal moet je er entree voor betalen, maar om de overleden koning te eren is het hier gratis. Er ligt een ruïne aan de hoofdstraat. Wat Tha Phang Thong ligt op een eilandje, waar een gammele, houten brug naartoe loopt. In de tempel ligt een oude voetafdruk van Boeddha onder een glasplaat. Voordat ik verder ga, ga ik maar eens het museum in, om een idee te krijgen van wat ik ga zien. Veel van de beelden en schatten zijn ook hier in het museum geplaatst en het is leuk om een indruk te krijgen van de rijkdom van het vroegere Sukhothai. De tempels zelf zijn omringd door een muur en er zijn maar een paar ingangen. Dan kom je in een groot park waar allerlei oude ruïnes uit de 13e en 14e eeuw te vinden zijn. Er is niet tussen gebouwd, maar in plaats daarvan is er veel gras en staan er een aantal bomen waar je heerlijk in de schaduw kunt rusten. Veel van de ruïnes zijn omringd door een gracht waar nog steeds water in staat.

img_7338

Ik loop langs een klein monument, Lak Muang, dat wellicht een stadsaltaar geweest is. Er is niet veel van over, maar er staan nog felgele bloemen als offers op de bakstenen. Aan de andere kant van het pad staat Wat Chana Songkhram, een tempel zoals velen die niet heel veel indruk op me maakt. Voorbij de tempel staat een monument dat er veel moderner uitziet. Het is een eerbetoon aan koning Ram Khamhaeng, Sukhothai’s belangrijkste koning. Hij staat op een verhoogd platform met perfect gesnoeide boompjes ter versiering. Vanaf die kant heb ik ook een schitterend uitzicht op Wat Sa Si, dat omringd wordt door veel water met waterlelies erin. Via een brug aan de andere kant kan ik de tempel ook van dichterbij bekijken. Er staat een grote Chedi in de vorm van een klok. Daarvoor zit een witte Boeddha tussen een hoop pilaren. Ooit is dit een mooie hal geweest. Ernaast vind ik een heel mooi beeld van een lopende Boeddha, gemaakt in typische Sukhothai stijl. Eigenlijk vind ik dat Boeddha maar vrouwelijke vormen heeft. Ik wil hem ook steeds haar noemen.

Op een mini eilandje ligt een onbelangrijke ruïne vanwaar ik een mooi zicht heb om het grotere Wat Thapangngern en het enorme Wat Mahathat. Bij Wat Si Sawai moet ik weer denken aan de tempel die ik in Lopburi zag. Hij ziet er echt uit alsof hij verplaatst is van Angkor Wat. Er steken drie prangs de lucht in, die rijkelijk versierd zijn. Interessant is dat deze tempel eigenlijk ontworpen is als Hindu tempel. Zo is Vishnu te zien in het beeldhouwwerk. Pas later is het omgetoverd tot Boeddhistische tempel. Het pronkstuk van de centrale zone is Wat Mahathat. Hier staan verreweg de meeste grote Boeddhabeelden. Er loopt een muur en een gracht, met in het midden een vierkant gebouw dat boven alle andere gebouwen uit torent. Aan weerszijden staan grote staande Boeddhabeelden, die waarschijnlijk ooit een dak hadden. Ervoor heeft een grote hal gestaan, waar je nog de pilaren en de Boeddha van kunt zien. Ook staan er verschillende chedis. Het is werkelijk prachtig en hier blijf ik ook nog even zitten in het gras, ontspannend in de schaduw, starend naar de tempel.

img_7412

De volgende dag ging ik nog even terug naar de tempels die ik gezien had omdat ik de dag ervoor heel slecht licht had om foto’s te maken. Daarna kon ik mijn tocht vervolgen naar de wat verder gelegen tempels. Ik reed de oude stad uit door de San Luang gate en kwam bij de kleine Wat Sorasak. Hij viel meteen op omdat hij versierd was met olifanten. Ik vond ook een aantal hele kleine beeldjes van mensen die op een soort troon zaten. Ze stonden op één van de lage muren. Waarom die nou weer hier geplaatst zijn? Na een paar selfies ging ik weer door naar mijn eigenlijke bestemming Wat Phra Phai Luang. Dit complex moet heel wat betekend hebben, want het was enorm en omringd door water. Het terrein was zo groot dat er zelfs een nieuwe versie van de tempel was gebouwd. Het was interessant om oud en nieuw zo naast elkaar te zien. Aan één kant de spierwitte gebouwen met blinkende Boeddha’s en aan de andere kant de rode stenen met witte beelden die vergrijsd zijn. Eén van de prangs was nog goed te zien en je kon zien dat er twee enorme staande Boeddha’s gestaan hebben.

Het verderop gelegen Wat Si Chum zag er ook erg leuk uit. Van een afstandje kon je al een grote Boeddha zien door een spleet in het gebouw. Hij was zo groot, en het gebouw zo strak om hem heen gebouwd, dat je geen goede foto van het hele beeld kon krijgen als je in het gebouw stond. Ook in het gebouw ernaast stond nog een mooi beeld, hoewel het wel een stuk kleiner was. Ik moest een lang stuk fietsen over de grote weg, langs wat huisjes en cafétjes. Toen sloeg ik linksaf richting Wat Saphan Hin, dat weer in een andere zone lag. Wat Saphan Hin ligt op 200 meter hoogte en je hebt best een leuk uitzicht vanaf de top. Behalve het uitzicht staat er ook nog een Boeddha, maar die kun je ook zien zonder alle trappen op te lopen. Omdat het een lange weg was, en de zadelpijn nu wel begon, stopte ik ook bij de minder indrukwekkende ruïnes van Wat Phra Bat Noi, Wat Chedi Ngam en Wat Mangkon. Veel van de tempels hier waren hogerop gebouwd.

img_7499

Ik kwam weer bij het centrale gedeelte uit. Het fietsen was ontzettend mooi. Eerst was het vooral bebost en daarna fietste ik langs velden met rijst en andere gewassen. Toen ik door de Namo gate reed kwam ik in een wijk van oud Sukhothai. Hier lagen nog wel een aantal tempels, maar hoef je normaal gesproken ook geen entree te betalen. Gek, want het was niet minder indrukwekkend. In Wat Chetuphon stonden restanten van een grote Boeddha, die in een mooie hal gestaan moet hebben. Bij Wat Chedi Su Hong waren juist wat kleinere, witte beelden heel bijzonder. Ze waren rondom een pagode gemaakt en werden gerestaureerd. Er stonden olifanten en allerlei figuren. De andere tempels in dit gedeelte waren vooral leuk om te zien van een afstandje, vanaf de fiets.

Lunch at ik bij de Coffee Cup, op de hoofdstraat. Ik nam Sukhothai noodle soup, die net even anders smaakt en erg lekker was. De aardbei-yoghurt shake die ik nog bestelde was een uitstekend toetje. Ik had het warm en was eigenlijk wel weer klaar met alle tempels, maar er was er nog één waar ook olifantenbeelden stonden. Hij lag op maar een paar minuten fietsen naar het Zuiden. Wat Chang Lom was verlaten. Het zag er precies zo uit als Wat Sorasak, alleen dan iets groter en er was nog meer van het oude complex te zien. Toen ik mijn fiets weer inleverde, ging er ook net een songthaew weg. Wat een perfecte timing!

De boemeltrein

In Myanmar neem je de trein niet voor de snelheid. Met sporen die al heel wat mensen gezien hebben en treinen die wel een upgrade gebruiken kunnen, kun je beter de bus nemen. De bus is ook niet snel, maar in ieder geval sneller en comfortabeler. Er is echter één traject waar de reizigers grotendeels bestaan uit toeristen; Mandalay – Hsipaw. Deze reis is zo populair vanwege het Gok Teik viaduct, gebouwd in 1901, met een spectaculair uitzicht. Je moet er wel wat voor over hebben. Het hele traject duurt ongeveer 12 uur.

dscn6400

Het station in Hsipaw

Ik stapte in Hsipaw op de trein. Ik had de hele nacht koorts gehad. Gelukkig voelde ik niet meer zo heet aan, maar ik liep alsnog zwetend naar het station. Kaartjes bestellen gaat niet, dus je gaat op hoop van zege. Om 8.25 uur was ik op het station en er waren al wat andere buitenlanders. Om kwart voor negen begon de kaartverkoop. Voor een kaartje naar Pyin O Lwin, het mooiste gedeelte van de rit, betaalde ik ongeveer 2 euro, en dat in eerste klasse. Rond half 10 kwam de trein aan gereden. Dit zal best ooit een luxe wagen geweest zijn, maar nu was het niet eens vergane glorie te noemen. Het was vies en dat het pijpenstelen regende hielp daarbij niet. De meeste ramen stonden open. Ze hingen vast met een oud mechanisme. Een lakje verf hier en daar zou geen overbodige luxe zijn en er hing een vreemd luchtje. De eerste klas stoelen hadden gelukkig wel kussens. In de tweede klas zit je op een houten bank.

Zodra we vertrokken begon de fransman naast me driftig foto’s te maken. Ik had dus regelmatig een lens voor mijn neus want ik zat bij het raam. De struiken en andere begroeiing stonden vaak wel erg dichtbij het spoor en langzaamaan verzamelde er een hoopje groen om me heen. De trein boemelde, stuiterend en schommelend, door de velden en langs dorpjes. Af en toe stopten we bij een wissel. Er stond dan iemand fysiek de wissel te veranderen. Schokkend reden we weer verder. Op de grotere wegen waren bewaakte overgangen. Er stond dan iemand die de slagboom voor de auto’s dicht deed en dan de groene vlag voor de trein opstak. Het was alsof ik naar het verleden gereisd was, naar het wilde westen. Ook al komt er twee keer per dag een trein over dit spoor, het leek toch bijzonder te zijn. Kinderen hingen uit ramen om naar de trein te staren en vrouwen met baby’s op hun heupen lieten hun baby naar de trein zwaaien. We gingen niet heel snel vooruit, dus regelmatig kreeg ik met iemand oogcontact en kreeg dan een brede glimlach.

Na ruim 3 uur rijden kwamen we bij het beroemde viaduct. Eerst waren er een paar korte tunnels. Daarna reden we door de mist het lange viaduct over. Door de mist hadden we geen super uitzicht, maar ik zag goed hoe hoog we waren. Onder ons was een heel oude spoorlijn die al helemaal in de natuur opging. We gingen echt met een slakkengangetje nu. Mensen hingen uit ramen en deuren om foto’s te maken. Na Gok Teik leek niemand meer geïnteresseerd in de reis. Nu was het gehobbel wel weer genoeg geweest. Maar we waren nog lang niet in Pyin O Lwin, laat staan Mandalay…